terug naar vorige pagina
1 Bouwstraat

Op 4 mei 1923 werd ik geboren. Antonia Cornelia Vermij ofwel Toos. Mijn ouders woonden toen in de Bouwstraat 38. Mijn vader kocht dat huis van zijn broer, want die ging met zijn gezin naar Hilversum. Die broer was kleermaker. Elk half jaar ging mijn vader naar zijn broer om geld af te lossen. Het huis in de Bouwstraat was eerst nog van een kolenboer geweest, ene Philipoom. Een zoon daarvan was later eigenaar van een paar manufacturenzaken. Mijn ouders hadden eerst in een bovenhuis op de hoek van de Grasstraat en Hennepstraat gewoond, daar zijn mijn zus Gien en broer Wim geboren. Ik had nog een broertje kunnen hebben, Henk heette hij, maar die is met 14 maanden overleden. Dat lijkt me heel erg. Het gezegde is: je kunt er beter een bij krijgen, dan een te moeten missen. Na mij zijn er nog drie kinderen geboren: Henk, Kees en Rie. Er waren nog een dood kindje en een miskraam voor mijn jongste zus. Ja, mijn moeder heeft heel wat meegemaakt en was toch altijd opgewekt. Vader was een harde werker en heel gelovig. Alles voor zijn vrouw en kinderen. We hadden een fijn gezin. Er werd ook wel eens gebekvecht met elkaar, maar dat hoort erbij.

In mijn kinderjaren kon je nog op straat spelen. Met meisjes en jongens uit de buurt gingen we hand in hand met een sliert over straat. Dan zongen we van Schermeion staat stil en waarom moet ik stil blijven staan, ik heb van mijn leven geen kwaad gedaan, Schermeion staat stil. Er werd veel gelachen en we hadden plezier. Dat kan niet meer door het drukke verkeer. Tijden veranderen. Op een zondag waren we aan het knikkeren op de hoek van de Bouwstraat en Bekkerstraat bij Mathijs, zo heetten die mensen die daar woonden. Op zondag aten wij warm tussen de middag. Mijn vader riep dat ik thuis moest komen, maar ja als je verloor met knikkeren kreeg je een vette. Dus riep ik dat ik nog een vette moest hebben. Mijn vader zei: als je niet gauw komt, krijg je een vette om je oren. Mijn vader kon veel hebben, maar je moest wel naar hem luisteren. Zo ging het bij ons. Als je wat uitgespookt had wat niet door de beugel kon, zei mijn moeder het tegen mijn vader, maar kleine onhebbelijkheden niet. Hij hoefde niet de boeman te zijn. We mochten toen we klein waren niet eerder naar beneden komen als dat vader naar zijn werk ging. Dat was de regel. Ik ging bij de zusters naar de school. Er waren groene tafeltjes en stoeltjes. Ze leerden ons fröbelen en een matje vlechten. Met Pasen maakten we een paasmandje, dan kreeg je er eitjes in. Tegen Sinterklaas werden we bang gemaakt, vooral als het 's middags vroeg donker ging worden. Dan was je bang om naar de wc te gaan en verbeeldde je je dat Zwarte Piet op de gang liep. En dan die enge kelder.

Op de grote school was het leren geblazen. Elke ochtend moesten we naar de schoolmis, dat kwam op je rapport te staan. Ik kon aardig meekomen. We hadden een hoofdzuster Ignatius, daarover zeiden we: zuster Iggie zat op het biggie, hup zei biggie, weg was Iggie. Ja, we waren wel eens ondeugend. Een andere zuster was Bea, de handwerkzuster. Ze ging later naar de missie. Een strenge zuster was Protacies, die noemden wij Proppie. In de vierde klas heb ik mijn pols gebroken. Ik was op een zaterdagmiddag op het melkstel van de melkboer Jan de Groot geklommen en viel eraf. Mijn zuster Gien lachte er om, maar we zijn toch met mijn vader naar de dokter Warnhof in de F.C. Donderstraat gegaan. Zijn vrouw deed open en zei: wijfie ik denk dat het gebroken is, ga maar naar het Antonius ziekenhuis. Dus ging vader daar met mij naar toe. Eerst werden er foto’s gemaakt en toen kwamen ze met de uitslag dat mijn pols gebroken was. Die moest gezet worden en dat deed wel even zeer. En daarna in het gips. Moeder stond al voor de deur te kijken of ik er aan kwam. Als het gips te strak zat, moest ik terug komen al was het op zondag. Maar daar heb ik geen last van gehad en verder is het allemaal goed gekomen.



verder naar volgende pagina