terug naar vorige pagina

Vervolg Familiegeschiedenis van der Mark- Kool

Deel 5: Wie was de familie van onze vader?

Papa werd geboren als 4e zoon van Johannes van der Mark en Maria Steehouwer. Opa werd in 1888 geboren in Jutphaas, Oma in 1892 in Utrecht of Schalkwijk. Zij trouwden op 9 juli 1913 (acte 476) in Utrecht en kregen 6 kinderen. Johannes (Ome Has) in 1914, Petrus (Ome Peter) in 1915, Wilhelmus (Ome Wim) in 1917, papa, Martha in 1923, Nicolaas (Ome Niek) in 1925? Zij woonden Mijdrechtstraat 53, in Utrecht. Dat was in Rivierenwijk. Het was een 'buurtje'. Aan de voorkant was een stoepje dan een stuk zand/klei/grint van een straatbreedte dat als ventweg werd gebruikt. Dan kwam er een verhoging (lage dijk) waarop de eigenlijke stoep van de Mijdrechtstraat liep, dan de gewone bestrate weg en dan de 'mooie' huizen van de overkant. Aan de achterkant was een klein pad voor achterom waar een stuk of 7 buurdeuren op uitkwamen, een tuintje met een schuurtje dan de schutting waarachter een soort open zand/klei/grintveld ook wel Kerkweg, waaraan de Gertrudiskerk stond.

Opa werkte op de gasfabriek als stoker, ook na zijn pensionering heeft hij doorgewerkt, zeker wel tot zijn 80e, hij ging ovens stoken voor steenbakkerij van Arkel ergens op Hoograven, daar had hij ook een volkstuin. Ook heeft hij een paar jaar het fietsveer over het Merwedekanaal bemand (of deed hij dat i.p.v. ome Has als die ziek was?) Volgens ons moest hij dat pontje met een ketting naar de overkant trekken. Het zal wel voor de arbeiders van de fabrieken aan de overkant, wat nu Transwijk en Kanaleneiland heet, zijn geweest.

Oma overleed op 53 jarige leeftijd, nadat haar 'jongens' weer thuis waren uit Duitsland. Wij weten niet veel van die oma. Marie. Ze moet een aardige, lieve vrouw zijn geweest. Wij kennen alleen het verhaal van haar wekelijkse overleg met de visboer. Voor een kop koffie (en een borrel?) kreeg ze iedere vrijdag een goed maaltje verse vis, die dan achter in het klompenhok werd gebakken. Net naast de droogplee. Omdat ome Wim bij een slager werkte en ook slachtte was er altijd vlees genoeg, werd er balkebrei, bloedworst, hoofdkaas en worsten gemaakt respectievelijk gedroogd in de kelder. Er werd natuurlijk ook groente en fruit geweckt. Andijvie en bonen in het zout gezet (bah 3x) en voor de feestdagen ging er het een en ander in de brandwijn. De mannen, op papa na, waren stevige drinkers. Oma en tante Martha niet, maar volgens de verhalen vond oma het wel erg zonde als er wat brandewijn overbleef bij het maken van boerenjongens. Dat laatste beetje brandewijn dronk ze maar op. Gevolg, oma toch een keer redelijk laveloos.

Het huis was heel klein. Een piepklein voorkamertje (de zogenaamde mooie kamer met een Heilig Hartbeeld onder een stolp). Je mocht daar nooit komen. Een huiskamer met een vrij grote tafel, een paar stoelen en een dressoir, een kachel met een spiegel erboven en twee leunstoelen, ëën voor opa en ëën voor ome Has, waarin ik (Ria) altijd mocht zitten. Er was een bedstee, daar sliep in mijn tijd (Ria) tante Martha, en ik als ik er logeerde. Dat was bijna ieder weekend.

Ik ging zaterdagsavonds met opa, ome Has en tante Martha naar de kroeg. Naar Kees Koot op de Jutphaseweg. Daar waren ook mijn andere ooms en neven van mijn vader. Ik kreeg er limonade in een flesje en kreeg ook wel van deze en gene wat geld toegeschoven. Zij kaarten. Tante Martha deed ook een poosje mee en dan gingen wij samen vast naar huis. Tante Martha braadde het vlees voor de zondag in het piepkleine keukentje. Ik lag al in de bedstee en kreeg dan een stukje net gebraden vlees, nog voor het sudderen ging beginnen. Ik kan me niets lekkerders voorstellen. Het wachten was op de mannen. Ik denk dat ik wel in slaap viel.

Op zondagmorgen mocht ik vaak weer mee. Soms ook naar café Tolsteeg, de stamkroeg van ome Wim. Onze vader was de enige niet-drinker. Hij was helemaal een beetje een buitenbeentje. De broers werkten in de buitenlucht. Papa werkte als letterzetter binnen. Hij was een beetje van de witteboordenkant.

Van wie had hij dat? Van de Steehouwers? Misschien, hoewel wij in de gegevens als beroep voor zijn opa, Petrus Steehouwer, ook werkman zien staan. Van de andere tak, grootvader en grootmoeder Vroomman, lezen we als beroep respectievelijk: steenwerker en steenwerkster. Maar de broers van zijn moeder zaten al aan die witteboordenkant. Willem was adjudant bij de politie (drager van het EreMedaille verbonden aan de orde van Oranje Nassau in goud), Hugo was opzichter bij de gemeente Utrecht en Gijs was controleur bij de stadsbus.

De Vro(o)(m)mannen waren Nederlandsch Hervormd, ook een bijzonderheid in onze familie waarin iedereen Roomsch Katholiek is. Catharina Vroomman is ook NH gebleven, zij heeft alleen haar kinderen katholiek opgevoed. Er was toen al sprake van dat er een soort oecumenisch huwelijk gesloten kon worden in een achterafkapel of kamer. Dat wilde Catharina niet. Haar hele leven kwamen zowel de pastoor als de dominee graag op bezoek Het verhaal gaat dat zij beiden bij haar sterfbed zaten. Of Petrus daar later wroeging van kreeg? Zijn bidprentje valt op 3 jaar na het overlijden van zijn vrouw: 'Hij was op weg naar de retraite, waar hij ver van het wereldgewoel in stille godsvrucht eenige dagen alleen met God zou gaan vertrouwen.'

Van de Steehouwers zijn we niet verder gekomen dan onze betovergrootouders: Gijsbertus Steehouwer en Maria de Graaff. Van de Vro(o)(m)mannen zijn we gekomen tot onze oud-grootouders: Huijgo Vroomman, Marritje Vuijk, Abraham van Tergou, Maria van Elik, Johannes Hildebrand, Maria de Jong, Dirk van Dijk en Cornelia den Daas.



verder naar volgende pagina