

|
|
Olafjes 17 of 18 jaar oud:
leraren
hangende liggende gapende leraren
wauwelende keffende schreeuwende leraren
rode gele blauwe en groene leraren
volle maan en donkere nacht leraren
nooit leraren, altijd leraren
of toch liever-niet leraren
voor allen
gedicht voor allen
die mij minnen
zeg me: ik min.
gedicht voor allen
die mij haten
zeg me: ik haat.
want minnenden,
want hatenden,
gij kent mij,
ik u niet.
zeg mij, roep mij
en ik antwoord.
mevrouw
mevrouw, ik min uw zoon.
ik wil uw zoon beminnen.
mevrouw, ik min uw zoon.
waarom staan de bomen
in rijen langs de weg?
waaien winden waar maar
winden waaien willen?
spelen kleine kinderen
hun kleine kinderspelen?
mevrouw, waarom, waarom?
mevrouw, ik min uw zoon.
ik wil uw zoon beminnen.
mevrouw, ik min uw zoon.
gekje
op een hekje, klein hekje, zit ik.
de mensen zeggen: hij is niet snik.
ik wilde niet, wilde niet wat ik deed
het was een duwtje, ze slaakte een kreet.
ze viel met een klap, lag wit op de grond.
starende ogen en veel bloed om haar mond.
ik rende bang weg daar, rende maar voort.
ik heb nu om mijn nekje een dik blauw koord.
in memoriam
gnot is dood
vannacht om half drie
is gnot van ons weggenomen.
gnot zei dag
en toen was gnot weg.
gnot was een goede vriend voor ons,
een vader voor ons, een moeder.
we mogen gnot nooit vergeten.
en als we bloemen,
vele mooie bloemen,
op het graf van gnot leggen,
moeten we
aan het woord van gnot denken:
gniet,
gniet en laat leven.
het leven is al zo kort.
gnot zij met u.
look at me
old grey man,
upstairs there,
how do you do?
are you still alive?
some people say:
he is dying.
some people say:
he is dead.
don't you want
to say to them:
I am here,
look at me.
or can't you?
have you never been?
brood
ze zeggen
dat God dood is.
ach, zegt mijn moeder,
en zo jong nog.
en ...hoe komen we nu
aan ons dagelijks brood?
in het donker
diep verzonken in liefde
liggen zij naast elkaar
in het donker
brandende ogen
gloed in onbekleed vlees
in het donker
bedekt met een laken
stervend van geluk
gestorven in aarde
tranen
ik heb een gecastreerde hond.
dagelijks vrij ik met hem.
hij likt me dan met zijn tong,
zijn neus laat vochtsporen achter,
hij knort onder mijn kietelen.
soms mag hij mee in bed,
niet altijd ...
om er geen gewoonte van te maken.
's ochtends wekt hij me met geblaf:
blaf, ... blaf ...
nog nat van mijn tranen.
god
ik keek hem aan
en probeerde in die blik
iets van lachen neer te leggen
wij stonden vlak bij elkaar
en tussen ons in
stond een ander
wij hadden beiden
eenzelfde verlangen
het was of god
in mensengedaante
gekomen was
of het god was
die in ons midden stond
wij voelden angst
en zijn van god
weggelopen
god bleef staan
keek voor zich uit
als hadden wij
in hem
niet geloofd
paar
is het als gisteren voorbij is
en vandaag half verlopen,
dat jij met mij,
voor mij, zonder mij,
een paar zwarte
of bruine schoenen
wil gaan kopen?
teder
het lieveheersbeestje
teder doodgeknepen
tussen de vingertjes
van mijn vierjarig zusje
is bijgezet
in zijn familiegraf.
toen
toen hij zeven maanden was, kwam hij tevoorschijn.
zijn moeder had er niets over te zeggen.
toen hij 17 jaar was, moest hij gaan trouwen.
hun ouders hadden er veel van te zeggen.
toen kwam de baby, al zeven weken later.
de dokter had het hen eerder gezegd.
toen er zeven kinderen waren, was het huis vol.
de pastoor kon eindelijk niets meer zeggen.
toen ze 70 waren stierven ze tegelijk samen.
ze hadden er geen mens iets over gezegd.
toen ze omlaag gelaten werden, lag ik stil in hun midden.
dat had ik ook niemand gezegd.. op de kist valt het slijk.
einde olafjes
|