naar vorige pagina
Korte verhalen

Weekend

J. liet me in het weekend zien waar zijn groep in Zoetermeer de nieuwe soos kreeg. Trots toonde hij de ruimte. Rond vier uur stapten we in de lift: een ruime cabine met spiegelwand. De deur zoefde dicht, daarna weigerde de machine hardnekkig elke dienst. Op de alarmknop kwam geen reactie, op bonken kwam geen reactie, op schreeuwen kwam geen reactie. Ver weg klonken stemmen uit de winkelstraat, soms iets duidelijker. We luisterden met gespitste oren: Komt daar iemand? Een vaag geluid. Ja, nee, is het de schoonmaker misschien?

Geen drank, geen voedsel, niets te lezen bij ons. We konden niet goed zitten of liggen, niet slapen onder het felle licht. Toch maar blijven kletsen en grappen maken, dacht ik. J. ging heftig en continu Morseseinen op de deur en vloer slaan. Pissen kon langs de liftdeur, andere ontlasting paste gelukkig in een plastic zak. Hopen, wachten, niets anders had zin. Twee jongens vonden ons op zondag rond lunchtijd. Ze vroegen: Hebben jullie het leuk gehad vannacht?




Zijstraatje

We lagen op bed na de seks. Mijn vriendje Robert uit Ridderkerk en ik. Samen gelukkig en tegelijk ongelukkig. Zijn linkerarm over mijn borst, zijn linkerhand in mijn linkerhand, mijn rechterhand over zijn lijf glijdend naar zijn oksel, zijn rechterhand strelend over mijn buik. Hij heeft zorgen en ik luister (en zou willen helpen en troosten). Hij heeft lichamelijk zijn 'gebreken' maar verdomd ik houd van hem. Hij licht de Sociale Dienst op, maar dat kan ik begrijpen. Hij rommelt wat in de marge, gebruikt drugs en stinkt naar tabak.

De vorige maanden was van alles misgegaan: hij moet zijn huis uit, is werkeloos zonder vooruitzichten, zijn jeugdvriend heeft kanker, vader dementeert, moeder stierf en hij (enig kind) werd uiterst laat op de hoogte gesteld. Ik geef hem een pilsje en betaal zijn reiskosten. Misschien komt hij vandaag, morgen of in het weekend om verslag uit te brengen van het bezoek aan een advocaat, van een huisuitzetting, van de ellende in het verpleeghuis. Ik zou zijn schildknaap willen zijn, zijn wijze vriend, zijn kameraad. En allejezus: ik kan niets, ik weet niets, ik ben machteloos. Wat kan ik doen? Hem vasthouden, strelen en vragen wat hij bedoelt met 'er is altijd een uitweg, altijd een zijstraatje'.




De ingang

Ik moest ergens zijn, papieren regelen, een kantoortje in een andere stad. Alles van tevoren gecheckt, uitgezocht hoe ik er moest komen, maar het openbaar vervoer viel tegen in de zomerhitte. Na vaak overstappen, zoeken en verdwalen was ik toch keurig op tijd voor mijn afspraak. Een stille oprijlaan en een deftig groot pand. Er stonden veel namen op het bellenbord. Ik drukte op de juiste bel, maar niemand deed open. Geen enkel geluid; ik kon door geen enkel raam naar binnen kijken. Had ik me vergist in de datum? Puffend liep ik om het gebouw. Ik moest hoognodig. Aan de achterkant stonden steigers, maar ook hier was geen mens te zien.

Er kwam een man tevoorschijn in een witte overall. Dag meneer. Kan ik u misschien helpen? Ik ben van de gemeente. We hebben de voorkant af moeten sluiten vanwege een klein probleempje. Ik legde mijn situatie uit. De man zei dat ik op het goede adres was en dat er mensen van de firma aanwezig waren. Hij wees naar een keldertrapje. U kunt daar naar binnen en dan rechtuit en tenslotte is het de tweede deur links. U vindt het vanzelf. Ik wilde al doorlopen, maar de man hield me tegen. Mag ik eerst een foto van u maken? Ja, wilt u dan daar even gaan staan?

Er stond een simpel toestelletje in een raamkozijn, zag ik nu. Wilt u nu goed in de lens kijken en dan met uw duim op het knopje drukken? Met mijn uitgestrekte linkerarm kon ik net bij het toestel komen. Prima, veel succes!, zei de man. Ik strompelde de smalle treden af en kwam in een grote donkere hal met veel gangen. Er waren pijlen en namen te onderscheiden. Ik volgde een pijl. Weer een hal met gesloten deuren en duistere gangen. Moest ik nu rechtuit, naar links of naar rechts? In de verte waren lichtjes te zien.

Ik koos op goed geluk een richting. Het plafond werd lager en de gang nauwer. Ik moest me bukken om verder te kunnen. Opeens pijn in mijn rug. Ik viel op mijn knieën en kon niet meer overeind komen. Met veel moeite draaide ik me in een lighouding. Ik probeerde te roepen, maar het lukte niet. Mijn keel was uitgedroogd. Je bent stom geweest, dacht ik nog. Het is gewoon je eigen schuld! En toen zat ik opeens rechtop en kon ik mijn eigen wc vinden.



Laken

In de nacht van zaterdag op zondag werd ik rond twee uur wakker, ging mijn bed uit en een half uur later er weer in. Om vier uur schrok ik opnieuw wakker uit een vreemde droom over mijn vader, die niet dood zou zijn, maar ergens verborgen, nee, bleek later: levend begraven. Ik nam zijn plaats over en kwam tenslotte met veel moeite vrij en sprong uit het water van een diep meer.

Die zondagmiddag was ik zo moe dat ik weer op bed ging liggen. Ik droomde vreemde zaken - die ik niet onthield. Wel weet ik nog het einde: er werd een soort laken over me heen gegooid, vast getrokken, een zak waarin ik bijna stikte. Zwaar naar adem snakkend kwam ik overeind. Ging ik dood of werd ik geboren? Zat ik in een vruchtvlies of een lijkenzak?



Freudenthal

Ik ging naar iemand in een verzorgingshuis. Een zaal vol mensen op gewone stoelen of in rolstoelen of bedden. Overal tassen, krukken en rollators. Personeel in witte jassen bracht thee, koffie en andere drankjes. De persoon die ik zocht was er niet, dus nam ik plaats naast een man die alleen aan een tafeltje zat. Ik had hem vaker gezien. Hij was bijna honderd en kreeg nooit bezoek. Ik zei iets en hij mompelde wat in een vreemd dialect.

Opeens begon hij duidelijker te praten. Ik herkende woorden: oorlog, Joden, vervolging, bom. Hij was kernfysicus, begreep ik, en van Zwitserland naar Nederland gevlucht. Geholpen door een vriend, ene Freudenthal. Ik zei: Bedoelt u Hans Freudenthal, de wiskundige? Hij begon te stralen. Ja, mein Freund Hans. Die ken ik, zei ik, van college. Hij gaf me een warme hand, we waren nu vrienden. Het was stil geworden om ons heen. De man werd weggebracht naar zijn kamer. Wat hebt u gedaan, vroeg een personeelslid, die man praat anders nooit.

Een week later was ik weer in het zaaltje. Nu zaten er twee mensen op mijn bezoek te wachten. De kernfysicus werd in een bed binnengereden en vlak achter ons neergezet. Ik draaide me om groette. 'Weet u nog van vorige keer? Toen hebben we over Freudenthal gepraat', zei ik. Hij werd rood in zijn gezicht, huilde en snikte. Daarna begon hij steeds hard te schreeuwen: Gek, idioot, vuur, dood, dood, dood. Wat hebt u gedaan, vroeg een verpleger. Ik wist het niet.




De stem

Mijn lichaam krabt zijn rechterbeen, geeft schokjes aan zijn rechtervoet, jeukt, heeft pijn aan zijn rug. Hij zucht af en toe, hij klaagt wat. Hij kermt, hij schreeuwt au!!! Hij schraapt zijn keel. Hij wil iets zeggen. Hij moet het kwijt.

Je moet naar je lichaam luisteren, zeggen ze. Heel zacht hoor ik zijn stem. Wat vraagt hij? Wat wil hij van mij? Wat denk ik, wat heeft hij nodig? Moet hij plassen, moet hij poepen, heef hij honger of dorst? Heeft hij koorts? Ik voel aan zijn hoofd. Ik wil hem helpen, ik wil hem troosten.

Ik stap uit bed. Ik geef hem wat water en wat voedsel. Misschien helpt dat. We gaan het zien. Hij wordt langzaam rustig. Samen gaan we slapen en hebben we een vreemde droom.Er landde een ruimteschip op aarde. Ik zie overal de mensen juichen. Ze zijn gelukkig.

De wereld heeft een andere kleur. Het lijkt een film van Walt Disney, denk ik. Ik zie een grote groene weide, dan in de verte een bos. Langs de bomen zie ik allerlei dieren aan komen lopen. Ze komen steeds dichterbij. Een gorilla knielt vlak voor mij. Hij maakt klokkende geluidjes als ik in zijn nek kriebel.

Dan schrik ik wakker. Ik moet eventjes slikken, snikken, huilen. Het gaat nu beter met hem, met ons. Hoop ik, hopen wij.


Olaf Korder
voorpaginanaar voorpagina