

|
|
de schrijver
schrijven zal ie, pennen, gauw,
letters, woorden, zinnen, toe:
alles, wie, wat, waar en hoe.
pols gekneusd, de vingers blauw.
wordt het iets met hem en haar?
vormen zij een liefdespaar?
brengt het lot hen bij elkaar?
loert daar niet een groot gevaar?
schrijven zal ie, pennen, gauw,
pols gekneusd, de vingers blauw.
|